Theorie-examen Wettelijke Kaders DHW

De toetsmatrijs is de blauwdruk van een theorietoets. Een toetsmatrijs ligt vast voor een langere periode, wijzigingen van wet- en regelgeving uitgezonderd. Wijzigingen in de toetsmatrijs en herziening van een toetsmatrijs worden een half jaar na bekendmaking op onze site in de examenvragen opgenomen. 

Toelichting op de toetsmatrijs Wettelijke Kaders DHW

Een toetsmatrijs bevat veel informatie over het examen. Simpel gezegd geeft de toetsmatrijs een verdeling weer van het aantal vragen over de toetstermen. Een toetsmatrijs draagt bij aan drie kwaliteitseisen:

  1. Door een toetsmatrijs te gebruiken zijn de examens vergelijkbaar qua inhoud en niveau (betrouwbaarheid).
  2. De toetsmatrijs ondersteunt bij een valide examen doordat in elk examen alle inhoud wordt gedekt.
  3. De toetsmatrijs zorgt voor transparantie doordat inzichtelijk wordt waar het examen betrekking op heeft. Hierdoor kunnen alle betrokkenen zich op basis van de toetsmatrijs voorbereiden op het examen.


Een toetsmatrijs bevat de volgende informatie:

Toetsduur: dit is hoeveel minuten een kandidaat standaard heeft om het examen te maken. Indien een kandidaat een dyslexieverklaring heeft, wordt de toetsduur verhoogd. Voor examen Wettelijke Kaders DHW heeft de kandidaat 80 minuten.

Toetsvorm en aantal vragen examen: het examen bevat uitsluitend gesloten vragen en bestaat uit 50 vragen.

Cesuur: Dit is de score die een kandidaat moet hebben voor een behalen van de toets. Oftewel de zak-/slaaggrens. De cesuur bestaat uit twee componenten. De eerste component is de beheersingsgraad. Dit is het aantal vragen dat een kandidaat goed moet kunnen beantwoorden om te laten zien dat hij/zij de stof beheerst. De tweede component is de gokkans correctie. Dit is een score die wordt berekend aan de hand van de gebruikte vraagtypen in dat examen. De cesuur wordt dus bepaald als volgt: beheersingsgraad + gokkans correctie = cesuur.

Voor het examen Rechtskennis is de cesuur 70% (55% met correctie voor de gokkans). Om het examen met een voldoende af te ronden dient de kandidaat dus minimaal 35 vragen goed te beantwoorden. 

Code: Dit is een toegekende code zodat gemakkelijk over een bepaalde toetsterm kan worden gecommuniceerd.

Overkoepelend onderwerp: Meerdere toetstermen vallen onder een overkoepelend onderwerp. Dit geeft inzicht in de algemene thema’s die aan bod komen in een examen op een abstracter niveau.

Toetsterm (met specificatie): In een toetsterm wordt een onderwerp en een werkwoord beschreven. Het onderwerp weerspiegelt de inhoud en het werkwoord de actie die een kandidaat moet doen. Een onderwerp is bijvoorbeeld ‘samenwerking met de politie’ en een werkwoord ‘benoemen’. De vraag in het examen is gebaseerd op de inhoud en werkwoord beschreven in de toetsterm. Onder de toetsterm wordt soms nader gespecificeerd waar een toetsterm betrekking op heeft.

Wet- en regelgeving: Per toetsterm is aangegeven welke wet- en regelgeving van toepassing is.

Taxonomie: De taxonomie is een indeling in kennisniveaus waarop een kandidaat iets kan beheersen en is een hulpmiddel bij het vaststellen van het beheersingsniveau. In een toetsterm staat een werkwoord. Dit werkwoord is gekoppeld aan een beheersingsniveau. In de toetsmatrijs wordt het beheersingsniveau aangegeven met een letter. De gebruikte letters zijn K (kennis), B (begrip) en T (toepassing). Het niveau K is het laagste niveau en voor dit niveau moet een kandidaat de leerstof kunnen herkennen/herinneren. Bij het niveau B moet een kandidaat de leerstof begrijpen. Niveau T is het kunnen toepassen van de leerstof, vaak aan de hand van een gegeven situatie.

Aantal vragen: Dit is het aantal vragen per toetsterm wat opgenomen is in het examen. Door te kijken naar het aantal items per toetsterm kan herleid worden hoe belangrijk deze is ten opzichte van andere toetstermen.